nummer 001 

GRAAFSCHAP

 

Als een abstractie vol

rangen, standen en lagen,

zelfscheppende graven

een vreemde wereld

mistige grenslijnen

overdonderend in termen van

groen en veel en te en

tamelijk boers in

z’n mis en scene.

 

Totaal verkeerde woorden

naar de smaak van een graaf

die mee wil met de tijd

en schapvulling schept.

Ik krijg geen echte ode

uit deze weerbarstige pen

die weigert te beschrijven

wat de Graafschap bezielt.

______________________

 

nummer 002 

BORCULO

 

Waar het lag
wist ik niet, of
wat die ramp was;
de angst voor onweer
van mijn oom
werd er mee verklaard.

Nu zie ik alleen
een rustig stadje
in veel groen,
de sporen gewist,
herbouwde huizen
al vaal van ouderdom.

 

______________________

 

nummer 003 

DE GRAAFSCHAP

Ik kende de naam
van de voetbaluitslagen
op de radio en van
de kaart van Gelderland.

Voor een kind in Leiden
was het onbereikbaar ver,
een uithoek vol
onbekende schoonheid.

 

______________________

 

nummer 004 

BERKEL

Ik zag ze bij de slager,
kruidenier, groenteboer
snijmachines en weegschalen
met rood email en
altijd die naam: Berkel.

Wat voor mij
alleen merknaam was
werd stromend water
in golvend landschap
nu ik hier woon.

_____________________

 

nummer 005 

Ode aan Starings Wildenborch

 

Uit water, lucht, de aard’ en ‘t vuur

Schiep de Schepper de natuur

Met liefde, inzicht en vernuft

Bracht Staring ’t in cultuur

 

Een bron van leven sloeg hij aan

Van eeuwen voor zijn tijd

Een plaats waar menig mensentraan

Geplengd werd in de strijd.

 

Een bron van liefde sloeg hij aan

Van eeuwen nog nadien

Een plaats waar talrijk nageslacht

Het levenslicht zou zien

 

Een bron van kunsten sloeg hij aan

Voor d'eeuwigheid gebouwd

Een plaats waar Jaromir uit Praag

aan 't papier werd toevertrouwd.

 

Nog altijd bron van Starings zorg…

Het wonder van de Wildenborch!

 

______________________

 

 

nummer 006

DAME BLANCHE

 

Help ons, witte dame,

naar de andere wereld

door uw poort der doden

verboden leefde u

in deze aarden bult.

 

De kracht van Eefde

gloort uit bronzen tijd

Springop, dans voor

de geopenbaarde goden

in de kerstnacht.

 

Springop, u weefde

licht en duister saam

engelken van de wacht

Springop erve is een schaduw

uit het verleden.

 

De schaduw van hem die sneefde

nabij mijn haard en heem

thuisgebracht in een ontaarde pot

van gebakken leem

Isala op slechts een luttel pas.

  

De witte dame

voorname hoedster van as

en bot van mijn vaderen

verbeeldt de eeuwige remise

tussen mens en god.

 

______________________

 

 

nummer 007

EXELSE BRUG

 

Een weermacht wolken

heeft regenlinten opgehangen

boven het onberispelijk groen van de velden.

 

Het water van het kanaal ondertussen

smijt met zijn lichten, ritmisch

als een pulserende fontanel.

 

De wind rust uit op de torens

klapwiekt dan voort

als een gerafelde vlag.

 

Traag vallen de eerste nikkelen druppels

op de parabolen van de brug,

op de gierzwaluwen

die in de lucht slapen.

 

Zie wat stil als seizoen verjaart

in langzame majesteit

rijden we op het oosterlicht.

 

______________________

 

 

nummer 008

BUITENPLAATS

 

Uw verre naam kwam tot mij

ik was dichter bij de eendvogels

Sebastopol, beste poel

niet door een graaf geschapen

maar door mijzelf gegraven

baron van Ampsen

zie hoe het licht lokt

op het Pad naar Siberië.

 

Ik heb u zelf gehaald, Anna

tsarenbroed, koningsbruid

uit het prachtig Sint Petersburg

om op ons land goed

hof te maken, om zelfs

tot aan de dag van vandaag

door te klinken, Anna,

hier in de Graafschap

en in Hollands Kroon.

 

______________________

 

 

nummer 009

IN HACKFORTS TUIN

 

Mijn muze knielt als ochtendbruid

in de satijnen gaard, waar korenblom

rijzig gewassen, gelijk boerenkruid

en klaproos reiken naar de zon.

 

Waar zij slechts te prijken stonden,

te zwijgen in de zuiverste geuren

nu als keur vergaard, saamgebonden

tot dit hoogaltaar van zomerkleuren.

 

Ik vrees de omhelzing van mijn cherubijn

die potig in het bloemrijk zit te plukken

waarmee ze een volwassen zwijn

met gemak morsdood kan drukken.

 

Toch voel ik hier al de lichte vlinderslag

die eens storm in Brazilië oogsten gaat

Hackforts tuin bracht mij een schitterdag

en ons goed geluk in hoogste staat.

 

______________________

 

nummer 010

DUIVELSNAAIGAREN

 

Onder de spar is het duivelsnaaigaren volmaakt

wirwar en van onnavolgbaar kant

zoals ook de geschiedenis zich kronkelt

over dit heiland, tot augustusbloei geraakt.                                                                                                                             

Gelijk duizenden strijders en hun paarden

zich spiegelen mochten in het Luteaven

een goed bewaard geheim en oase

niet slechts voor bleke bootsmannetjes.                                                                                                   

 

De koning was gekomen, iedere held

stond slagordelijk aangetreden

op dit Gorssels veld opdat het teken

van eer vorstelijk kon worden opgespeld.                                                                                                       

 

De mannen die zo dapper streden

beurden bovendien eenderde fles wijn,

een fijn broodje van vijftien cent

en eenachtste Noord-Hollandse kaas.                                                                                            

 

Onze citadel in Antwerpen was helaas

volkomen gevallen voor de Fransoos

schitterend hadden allen hun plicht gedaan

trouw bleven ze doch kansloos op hun post.                                                                  

 

Voor de wapenschouw kwamen de verdedigers

in grote stromen uit het ganse land

de kanonniers uit Gorkum

marcheerden zelfs negen dagen.                                                                                                                                

 

Jazeker, België werd voorgoed verspeeld

enkel de duivel spon daar garen bij

zo vreesde men onverdeeld

in Gorssel, Deventer en Zutphen. 

 

Toch wilden vandaag talloos veel burgers,

boeren en buitenlui getuige zijn,

zij waren van de partij met gejuich,

met vlaggen en hun kramerij.                                                                                                            

 

Ten leste zou een ieder sneven

alleen het duivelsnaaigaren – tegelijk wirwar

én de rode draad – mocht hier overlevenladwijzer

eeuwenlange jaren in vol ornaat.  

 

______________________

 

 

nummer 011

Heimwee naor d'n Achterhook.

 

Daor loop ik weer,

met mienen hond langs miene bekke.

Ik bun in Rome 'e wes en op Capri,

op éénen dag nao was 't dree wekke.

't Was gruwelijk mooi, dat is neet te beschrieven.

Maor met mienen hond en miene Riek:

an  miene bekke wil ik blieven.

 

Daor ginds lig Heure weer en Elbrinksvonder,

d'r zal wal weer belasting wean en meer van dat gedonder.

Heel völle geet d'r vot, de de bekke is 'e bleven:

Ik wil met Riek en hond hier geerne wieter leven.

 

Het löcht wat onder an de loch,

d'r is een donk're vlekke.

Maor wat kan ik hier gelukkig wean

met Riek en hond en ,,miene bekke”. 

 

______________________

 

 

nummer 012

DE KAFMOLEN

 

In een achterhoek van

mijn vaders wagenloods

stond een kafmolen

historie  te worden.

 

Ik had geen idee van

z’n oorsprong  in Vorden

in dat rijke dichtersbrein

begaan met landman en land.

 

Hier breng ik dichters en boeren samen

in woorden, koren  en noten

de kafmolen is verworden

maar dit drietal blijft  in Vorden.

 

______________________

 

 

nummer 013

MORSEBEL VERTAALD

 

Onverteerbaar vond kleine Piet haar

spinazieblad met  verdwaalde kikkerpootjes

arme moeder Morsebel

ze sprong bijkans uit haar vel.

 

Mevrouw Morsebel

weet het tegenwoordig wel

ze heeft de plofkip ontdekt

roert getatoeëerd haar pannen

rabarberblad is gigagroot

die moes verstopt  zo elke poot.

 

______________________

 

nummer 014

Ruïne De Nijenbeek

 

De Nijenbeek

ruïne van een toren

de vogels vliegen in en uit

bezoekers als tevoren

 

het licht te vroeg nog

voor de zon

breekt stuk op de kantelen

de brokken op de muren

 

ik zie vergane glorie

de schone schijn van hoepelrokken

was het hier dat edelvrouwen

sliepen met lakeien?

 

de tijd weeft rafels om ons heen

schrijft rozen op de huid

vliegt in en uit de muren

verleden tikt de ruit.

 

______________________

 

nummer 015

Kasteeltuinfestival Ruurlo 1

 

Het veld met lijven reikt

tot haveloze muzikanten.

Zij braken hun klanken uit,

blij dat ze een schnabbel

uit de graaibak konden halen.

De danseres kronkelt haar

ondervoede smalle leden.

Men ziet het onbewogen aan.

 

De handen klappen na het nummer

omdat dat de gewoonte is.

De spelers fiedelen weer verder

tot het einde van hun klus.

Maar uit de Orangerie

klinkt en swingt het: dat is klasse.

 

______________________

 

nummer 016

Kasteeltuinfestival Ruurlo 2

 

De zware man achter de meiden

die geen schildpad overleeft

hangt met het lijf boven de kuiten,

de bomen waarop hij beweegt.

Zijn harig hoofd bolt links tolt rechts

als hij zijn lovend praatje houdt.

Iets nieuws wordt er niet meer gezegd,

het klinkt verplicht, nog net niet fout.

 

Daarna dragen de meiden bij

aan de daling van de doorsnee

leeftijd op het festival.

Met hun jeugd en frissigheid

geven ze de sfeer iets mee

van leven in het groene dal.

 

______________________

 

nummer 017

Kasteeltuinfestival Ruurlo 3

 

Het duister valt

de fakkels branden

de vuren vonken

spatten licht

men eet en drinkt

van alle kanten

loopt en staat

en hangt en zit.

 

Er hangt geen regen

in de lucht

geen donder dreigt

kritiek die zwijgt

het samenspelen

is gelukt.

 

______________________

 

nummer 018

Kasteeltuinfestival Ruurlo 4

 

De muziekliefhebbers in Reurle

wisten goed waar het gebeurde.

Ze keken op en

ze keken om en

ze zagen de tuin die opfleurde.

 

______________________

 

nummer 019

Kasteeltuinfestival Ruurlo 5

 

Er was eens een kunstclub in Ruurlo

die vond het leven te zuur zo.

Muziek toen gemaakt

die iedereen raakt.

De club kwam in vlam en vuur zo.

 

______________________

 

nummer 020

Zand, wind en water

 

Philippe Claudel schrijft in Kleine Mechanieken: ‘Ik word altijd diep geraakt door de kwetsbaarheid van het leven, of beter gezegd: door de kwetsbaarheid van de levensloop, die zomaar kan breken of ontsporen door iets wat je haast niet ziet en wat niet of nauwelijks te voorspellen valt. Het leven is dus als een klein mechaniek waarvan je denkt dat het perfect is afgesteld, dat het tegen een stootje kan en niet kan falen, terwijl het toch plotseling van slag kan raken of kan vastlopen. Verlating, twijfel, waanzin, stilte en natuurlijk de dood zijn als zandkorrels, klein maar onverwoestbaar en onstuitbaar, die de tandwielen en de assemblage kunnen blokkeren.’

 

Mijn vader ging samen met de buurman naar de zaagmolen om oude gebinten te laten verwerken. Terwijl de molen draaide, vertelde hij de buurman een verhaal dat hij niemand ooit vertelde. Het verhaal speelde zich bij dezelfde zaagmolen af in 1978. Mijn vader kwam toen als gids bij de molen met een bus vol mensen. Hij ging naar de molenaar en herinnerde deze aan zijn belofte om een rondleiding te geven. De molenaar gedroeg zich afwezig. Toen vertelde hij dat zijn jongste zoon net was overleden. Hij gaf de rondleiding hoe dan ook.

Nadat mijn vader dit verhaal verteld had, sprak hij met een werknemer op de zaagmolen. Ja, die had de oude molenaar goed gekend. En het overlijden van die zoon kon hij zich duidelijk herinneren. Het was de derde zoon die overleed. De oudste verdronk als peuter in een volgelopen trekkerspoor. De tweede verdronk op zesjarige leeftijd in het zwembad. De jongste verdronk toen hij met een paard door een stijger zakte. Hij was achttien jaar.

Mijn vader was onder de indruk. Toen zei de man: ‘de molenaar zelf is heel oud geworden. Gisteren is hij overleden. Hij was 98 jaar.’  

 

______________________

 

nummer 021

Enghuizer vierluik

 

Tekening
De lijn die de horizon zoekt

om dan de hoogte te volgen

de stralende lucht in de beek

vervloeit in een grandioos ik.

 

Schildering

De streek die de vlakken vindt 

om dan het grasland te kleuren

schaduwen van bos in lange

banen gaan over in een jij.

 

Verbeelding

Het woud dat alle wonden heelt 

kleur van leven, geur van verval

licht in het donker aderend

smelten ziel aan ziel inéén, wij.

 

Ontginning

De herinnering; opslag

van indruk en ontvangst en de

neerslag van hoe het beklijft

de heide, de hof, de stroom, hij.

 

______________________

 

nummer 022

Erosie

 

Met rooie oortjes 
in de Sekstant navigerend;
vloeiende landschappen geëtst
geilheid getekend. 

De ouderdom  ziet 
rondom de geboortegronden;
het glooiende erotische 
landschap ontplooien.

Erosie van lust.
Sporen uit ijstijden voorbij;
dekzandkopjes door de wind
spanning gegeven.

 

 

______________________

 

nummer 023

O-Traum

 

Op het land van moevende schoevende coulissen.

Wie dröttelt of zóbbeket daor in ’t rònd? O!

Tussen opstanding en vurige tòngen.

 

Per lopende meter zingeving. De hof van Plato

umringd deur Epicurese eerpelvelden. Aviko.

Zieletalage adelt aosem in ’t zicht van ‘t Loo.

 

______________________

 

nummer 024

Kwestie van schaal

 

De eerste dagen zoveel mogelijk bovengronds;

Blok na blok de Empire State of Chrysler

Building als Laurentiuskerk. Het Hyde Park


als De weide van Garritsen. Champs Élysées
leidt als Spoorstraat, Tiergarten als Zaagmolenpad.

Thuis na lange reis uit de trein gestapt;


de grote weidse blik. De torenspits nabij

het evenwicht maar dan anders.
Mijn tapijt van de hemelse vrede

waar ik van de thuiskomst lag te dromen.
De weide van Garritsen, vruchtbaar in al

haar facetten. Niets anders uit mijn gedachten.


Oh schoon lapje grond, het boerenland

schetst nog ruw het oude landschap

aanvang van het dorp dat spoort naar kern.


's Zomers, het lange gras en wat zwart

wit pinken grazen malend kort.

Het blaag ziet hoe de zweefmolen zwiert.


‘s Winters krabbelt de jeugd achter stoel

in vallen opstaan de toekomst

tegemoet verglijdende voortgang.


In de rug lommerrijke coulissen

na lange reizen de thuiskomst

wachtgevels voor nieuwe avonturen.

 

______________________

 

nummer 025

Graafschap

 

Een man, een bal,

een fust met bier.

Dat is het beeld

wat Graafschap schept.

Tot nu.

Tot hier.

Het is veel

meer dan dat.

 

Het is bloeiend fluitenkruid

langs karrensporen wegen.

Avondzon op oude steden,

bossen onbetreden.

Eiken die een pad omzomen

als kathedraal gewelven.

De tuin besneeuwd

met bloesemblaadjes.

Blauwe hemel.

Lentezin.

De Graafschap strooit

met groen gravelig.

In haar waan ik mij

een Gravin.

 

______________________

 

nummer 026

Moskee

 

Tegen de stadsmuur aangevleid,

het Zutphen van weleer,

daar ligt een wereld onvermoed.

Een verre reis

die niemand maakt,

terwijl de weg zo simpel is.

 

Besnorde mannen kijken bevreemd.

De Weekendschool fietst wanordelijk.

Met meisjesharen onder een shawl

betreden wij beschroomd een culturele drempel.

Mijn grootste schavuiten kennen het hier

en wijzen ons de weg.

 

Schoenen moeten uit.

Mijn sokken zijn geen vrienden.

Vele mannen sluipen zacht in een fluwelen zaal.

Schuine tempels op het tapijt, gekrulde houtsnijwerken,

kansel met kantelen, een moors betegelde muur,

indigo en ossenbloedrood. Zo zou ik willen wonen.

 

De jongen met de grootste mond, laat zijn leren jasje aan,

is onverwacht met microfoon op een podium gaan staan.

Zijn stem is hoog. Melodieus zingt hij Arabische klanken.

Zijn vrienden bidden serieus, ze klieren nou eens niet.

We knielen, buigen, liggen languit. Mekka lijkt steeds dichterbij.

Dat buiten gewoon Zutphen is. Je zou het zo vergeten.

 

Toen de wereld riep ´je suis Charlie´, riepen zij ´je suis moslim´.

Twaalf jaar, op zoek naar een identiteit, haaks op de moraal.

Ze zijn meer moslim, dan wij Charlie, maar bedoelden ze dat radicaal?

De Imam spreekt verontschuldigend, damt hun bravoure in.

Bedeesd zegt hij: ´Wij zijn gastvrij. Iedereen is welkom hier,

maar er is niemand die dat weet…´ 

 

______________________

 

nummer 027

Zutphen sur mer

 

Het zijn grote gevoelens die tot dichten noden.

Verlangen, verlies, vertwijfeling.

Ontketent Zutphen dat in mij?

Het stiefkind, dat wij gnuivend doorkruisten,

minachtend een dorp genoemd,

te klein voor toekomstdromen.

 

Waar een wereldstad glans verleent

aan ieder die zich daar verschanst.

Al hangt men in de grote stad, voortdurend op de bank.

Al is het leven ledig, of enkel virtueel.

De stad verleent het alibi, slaat haar armen om je heen.

Het bruisend leven voor je deur, dat geldt voor iedereen.

 

Zutphen vormt geen alibi.

Zij moet verdedigd, bevochten.

Wij willoze bewoners, bang voor het echte leven,

niet verder dan een enkele mijl bij de moederschoot vandaan.

Groei jij niet op? Sla jij geen vleugels uit?

Hoor jij tussen kolossale achterwerken, strompelend over de markt?

 

Strijden schept een band, zo blijkt.

Wat zou ik verder vliegen.

Keek jij ooit omhoog, waar gevels zonnig flonkeren?

De fiets rammelend over de keien.

Wirwar van troostend rode daken.

Bloeiende lindes langs de Berkel.

 

Mijn vader liet mij drie woorden na

vlak voor ze hem werden ontnomen:

‘Alles is hier.’

Theoloog, kort voor het hemels gerecht,

geen bespiegeling over Godsbesef.

Geen hoop, geen vrees.

Nee.

‘Alles is hier’

 

Wat zou men verder zoeken?

Alles. Is. Hier.

 

______________________

 

nummer 028

Treden

 

Lucht trilt van verwachting.

Tree voor tree

als schoolklas hemelwaarts.

Stenen zuchten

gekruld omhoog.

Meisjes vlechten zich dooreen.

Jongens kletsen over gevechten,

gebroederlijk lopend.

Hand in hand.

 

De toren geeft haar hoogte bloot.

We zien de rode daken,

het Koelhuis en de witte brug.

De IJssel kaatst de zon terug.

Een fietser in de diepte

lijkt verder dan de lucht.

Op de rand van wat we zien

begrenzen groene nevelen

de cirkel om ons heen.

 

Een meisje kijkt door spijlen,

zittend op de grond.

Knieën hoog,

al duimend,

de eigen cirkel rond.

Wind trekt aan haar zomerjurk.

Zoveel is er te zien.

Toch dommelt ze in slaap.

Ze maakt de cirkel kleiner.

 

De klas kijkt lachend toe.

Bestaat voor haar niet meer.

Wat is fijner,

dan op grote hoogte,

zicht tot de horizon,

je ogen even sluiten.

De wereld,

ruim van buiten,

draait zo ook wel door.

 

______________________

 

nummer 029

Gezicht op Zutphen

       

Wij schuilden aan de IJsselstroom gedoken

waarachter ’t westen glom: het avondrood

was juist nog zichtbaar achter steen en lood-

in  jongste tijd hoog in de lucht gestoken,

 

toen in zijn waan de staatsman had besloten

dat uiterwaardenpraal tot puin verwerd,

waardoor ieder zo heerlijk zicht op vert’

als eerkroon van het stadshoofd is gestoten.

 

Met pracht en weeld komt zorg, is weer gebleken:

de grote grazer verliest haar noch streken…

Maar hoed u, staatsman, voor de poortershond:

 

Nog slaapt die nu, doch eens wakker gemaakt

blijkt dat de reus op Voorsterkleien voeten stond

en bij goed-hoofdig weerwerk uit het lood geraakt!

 

______________________

 

nummer 030

Warwegen

 

Vol goede moed op pad, op reis.

Het stadshart lonkt.

De motor ronkt.

Mijn nageslacht

wil onderwijs genieten.

Linksom rechtsom rechtdoorzee.

We kunnen er niet komen, nee.

Zutphen heeft haar poorten dicht,

haar wallen hoog,

haar armen toe,

haar ingewanden

open, bloot

in kwetsbaar ongenoegen.

 

Een wals gaat schuil in zwarte wolk,

probeert ons te bedwelmen.

Manvolk peutert in de weg

onder neon gele helmen

Een waas van asem op de ruit

omgeeft het tafereel

met een zweem van romantiek.

Werklust hier in overvloed

bij roze dageraad.

Verzacht woede en paniek.

Ze menen het niet kwaad.

 

Ik ken de wegen,

kruip door sluip,

stuit steeds op open wonden.

Slechts met wiskundig intellect

een opening gevonden.

Het doolhof dat zich Zutphen noemt

verlegt terloops haar gangen.

Is het een virus? Graafmanie?

Onstuitbaar groot verlangen

om alles wat in orde was

met kracht omver te halen.

Om bomen, heggen, stenen, gras

tot kruimels te vermalen.

 

Ik stuur vergeefs

langs Zutphens dreven.

Vergruisd.

Verguisd.

Warrige wegen

verworden tot knoop.

Zoekend naar een sprankje hoop,

voor ik mij wenend

op het stuurwiel werp,

raad ik wat het doel kan zijn.

Het houdt de burger scherp.

 

 

______________________

 

nummer 031

MIEN LAND

 

GEOGRAFISCH SLECHTS

EEN STIPK’N

 

GELSTER

KLEIN MAAR FIJN

 

IN ’N OETHOOK

OONS NÖSKE

 

AN DE DEEPSE KANT

VAN DE TWENTERAND

~~~~~~~~~~

EEN PARELTJE

DAT WOD BESCHARMD

EN GEKOESTERD

EN BEWAARD

VUUR’T NAOGESLACHT

 

DAT IS OONZE STAND

~~~~~~~~~~

MAAR OH ZO DIVÈRS

 

VUUROET-STRAEVEND

 

SAMEN MET MEKARE

ÉÉN VOLK

 

VAN HIER-VAN DAOR

OONZE VOLK

 

MIEN LAND

______________________

 

nummer 032

Schuldige weide

Ruurlo, 9 november 1949

 

Googlend in Nationale Archieven

zoegt miene oge naor man dee met
bókse tiggen puntdraod ansteet,
wiezen naor waor 't raoden anvengt.
Op de foto met 'n kruus anegeven.
Niet wiet weg van 't stro van Leve.

Drasseg lappe grond bi-j Van Heeckerenbekke.
Bekend terrein veur Drikus van de Stampert.
Met kónt in de botter van de Profiet.
De jacht zat 'm in 't blood bo wisse.
Verbannen uut 't velt van 't Wissche.
Den in zicht van lechbak toch 't leaven liet.

Raodsels nam e met, met de wind.
'k Heuren de vehalen as klein kind.
Onder taofel en 'n zwaoren sigarenlóch.
Luusteren neet naor enig gebód of wet.
Was daor nów grechtegheid an zet?
Aover 'n kearl dee eigenwiesheid zóch.

In de schemme van de lechbak kwam an 't lech
dat in 'n handgemeen zienen Henk was 'estorven.
Net veurdat e zelf ok uut de tied werd neer 'eleg.
D'n kearl dee in de oorlog zovölle luu had 'eborgen.
Drikus den zovölle leavens had 'eholpen.
Verkeerde tied, verkeerde oord.
De rechtvaardegheid vrömd verklaord.

En drók dat 't was in Varsseveld.
Veur Henk en Drikus de letste veren.
Op weg naor 't eeuwige jachtveld,
op twaalf novembernaomeddag.
het knallen van de jachtgeweren.
Jao, wat ha'j dan anders 'edach.
Wi-j zölt dee indianen leren!

Bron: ‘Tegendraads’
van Jan Braakman, Uitgeverij Fagus 2008

 

 

______________________

 

nummer 033

Gedicht eenendertig december

 

zo’n simpele compositie

op een achterhoekse akker

de vertrouwde opstelling

als van een elftal

deze veldartillerie

van het oudejaarsplezier

 

drie verroestte cobercobussen

als gelegenheidsmortier

klein stilleven voor lawaai

of na elke doffe knal

voor de stilte ertussen. 

 

______________________

 

nummer 034

Belvedère

 

Als na een bui de lucht opklaart

belooft ons dat een vergezicht

beschenen door een ander licht

waarin zich alles openbaart dat

 

vaak versluierd blijft bewaard

of zo beneveld aan de einder ligt

dat enkel dankzij eerder zicht

men weet heeft van zijn ware aard.

 

Ik ga er altijd heen met paard

en wagen alsof het dure plicht

is totdat ik er ben uitgestaard

 

op het Zwarte Veen en uiteraard

maakt elke stap omhoog gericht

het samen gaan de moeite waard.

 

______________________

 

nummer 035

Mijn overgrootouders

 

Engelberta was zesentwintig toen ze naar de Cloese kwam als gezelschapdame van Maria Sickesz – van Harlingen. Ze had zelf geschreven, omdat ze inzag dat de kansen op een huwelijk op haar leeftijd verkeken waren. De Cloese was ver van haar geboortestad Coevorden en het leven met het echtpaar Sickesz beloofde avontuurlijk te worden. Hij, mr. Jacob Cornelis, moest regelmatig kuren in Merano, in Italië en dan zou zij, Engelberta mee mogen op reis.

Ze kwam aan in de zomer, en de kronkelende Berkel maakte dat ze de Drentse moerassen in één keer vergat. Of was huisknecht Garrit Draafsel? Als zij in haar vrije uren langs de oever van de rivier wandelde, zocht hij haar regelmatig op. Hij wist veel te vertellen over de dieren die in en bij het water leefden en hij plukte wilde bloemen voor haar. Hij was groot en zeker van zichzelf, zij klein en tenger.

Toen hij in haar poëziealbum schreef, ‘mag mijn naam ook een plaatsje in uw hart beslaan,’ wist ze het zeker. Ze was verliefd.

Garrit vroeg haar ten huwelijk, maar het echtpaar Sickesz is niet zo blij met de ontwikkelingen. Hun huisknecht moest direct een andere baan zoeken. Een paar dagen voor het sinterklaasfeest van 1890 reisden Engelberta en Garrit af naar Coevorden om daar te trouwen. Bij hun vertrek sneeuwde het. 

 

______________________

 

nummer 036

SPITHOLTERBRUG

 

zij draagt

zoals alle bruggen dragen

verbindt oever met oever

deze met gene zijde

zonder zuchten of klagen

zij schraagt

 

zij is eenvoud

een niemendal over het water

geen opsmuk van pylonen

geen hangbrug met verstaging

zij ligt van vroegte tot later

zij houdt

 

maar ooit

was ze spinola’s lief

en droeg zijn machtig leger

met duizenden over de berkel

waar elke man zijn wapen hief

ze klaagde nooit

 

zij kan dragen

als alle bruggen

zoals alle vrouwen draagt zij

de mannen in haar schoot

schraagt de kromming van hun ruggen

zonder vragen

 

______________________

 

nummer 037

Ochtend aan de IJssel

 

2 Zwanen vliegen laag over omhoog gestegen nevel

is de rivier aan het turend oog onttrokken

slechts boomtoppen verraden ergens land

verder geen spoor van sporen

 

noch beweging verraad zich

zelfs de rietkraag houdt zich in

2 zwanen vliegend over een baan van nevel

 

klokslag verwelkomd door de eeuwenoude tijd

torent roerloos aan de blauw-grijze overkant

het langzame ontwakende leven

 

slechts de hartslag in mijn keel

het water op mijn lippen en vochtig gras

dat zich laaft aan de warmte van mijn voeten verder heb ik niets te zeggen 

 

______________________

 

nummer 038

ANNO DOMINI 1785 HANEVELD

 

Hoe lang het jaartal van het Haneveld

zijn gevel nog verankert aan de balken

heeft onze naober tot nu toe niet gemeld;

zolang blijven er zwaluwen rondzwalken.

 

Maar als de boerderij wijkt voor ‘t geweld

dat muren en gebinten zal verschalken,

lijkt voor dit jaartal de laatste dag geteld.

 

Dan sloopt de kogel snel de bouwval en

zullen we die markante hoeve missen,

dat rode dak, het eigenwijze boerengroen,

het vee dat ik uit de verbouwde stal ken

van het melk halen en spetters wissen.

 

Met herinneringen moet ik ‘t verder doen

en hout natuurlijk van de oudste balken

 

______________________

 

nummer 039

Staringkoepel

 

ik dacht

een warme dag

de laatste bezoekers

trekken het kleine veer

over de rivier

en vinden hun weg

naar boven 

 

ze neemt zijn hand

en leidt hem

de trap op

door de openstaande deur

de geur van bloesem

van pasgemaaid grasland

de stilte overal

in het kleine stroomdal

van de berkel

het uitzicht stuurt

een trage bocht

tussen de weiden door

zacht gefluister

in zijn oor en ze wijst

naar wuivend fluitekruid

dat oprijst

langs de waterkant

terwijl hij droomt

van vingers

die meanderen

tussen andere oevers

donzig omrand

 

tijden veranderen

zij zat immers hier

geciviliseerd in crinoline hoepel

met haar dames op de thee

mejuffrouw Staring van de koepel

wist ze van een ander plezier

of was al wat er meanderde

een bordure op haar mouw

in een foto aan de muur

oud sepia

in dit helder wit gebouw

 

______________________

 

nummer 040

KRAANVOGELS

 

Op weg vanaf de Wildenborch

klinkt plots zo’n vreemd geluid

dat ‘t opzien baart als boven uit

de vlucht het gevogelte mij groet.

 

Wijl opgeveerd uit winterzorg

de voorste linie hals gestrekt

nu kranig naar het noorden trekt

en als zodanig wel bereiken moet,

 

ben ik schier eindeloos aan ’t kijken

op de plaats rust waar ik blijf staan

mij van het kostelijk moment bewust

 

waarop zij vendelend ontwijken

en mijn betraande ogen open gaan

als door de lentegolf te lang gekust.

 

______________________

 

nummer 041

Jaagpad naar poëzie

 

Het jaagpad langs de Berkel leidt me de stad uit

achter me roept de imam op voor het vrijdag gebed

waar een smelleken hoog in de lucht gehoor aan geeft

voorbij de grenzen van mijn stad

legt een groene weidsheid de wereld open

ik doorkruis het Kerkepad ontstijg de zwaarte van de aarde

luister het uitnodigende water

drink zijn voorbij gegleden poëzie

wat blijft is mijn beeld in de traag stromende rivier 

 

______________________

 

nummer 042

Slotgracht Vorden

 

Het tegendeel van dit kasteel

weerspiegelt in de grachten,

die weerkaatsing kun je niet

altijd verwachten, integendeel.

 

Het merendeel van dit geheel

blijkt als spiegelbeeld wat later

licht geraakt een luchtkasteel

in reactie op een steen te water.

 

Welbeschouwd en dichterbij

lijkt dit fenomeen op jou en mij.

 

Het leeuwendeel is werkelijkheid,

al het andere is maar schijn.

 

Ook al is het jouw luchtkasteel,

toch kun jij er ridder van zijn.

 

______________________

 

nummer 043

 

STROOMGEBIED

 

1

 

hoe zou ik de weg terug kunnen vinden

van billerbeck tot aan zutphen anders

dan kalm langs het oude water te gaan

van de rivier die hier mensen verbindt

 

handelslui en heiligen gingen mij voor

met de geërfde verhalen die ook mij

door de aderen stromen zoals ze zijn:

pelgrims stroomafwaarts onderweg

 

haar tijd slibt nooit dicht bij de gedachte

ontspringt niet vruchteloos bij de bron

want telkens treedt zij buiten haar oevers

en leert mij het leven wanneer ik schrijf

 

ontgroeid aan het zwijgen van toen

grijpt ook nu mijn hand naar de pen

en ik vraag me af waarom de dingen

zich te vaak in het leven zo herhalen

 

2

 

zonder voorgeslacht slaap ik al weer

jaren in het open bed van dit land

geen echo van weleer hangt boven

mij bewaard hoog in de bomen

 

elke dag opnieuw omvat het ontwaken

mijn adem in jouw kalme licht en laat

ons zien hoe wij verder zullen gaan

voorbij de afgeschermde horizon

 

hier is mijn bestaan een verhaal vol

vrijheid die intussen allang niet meer

enkel het domein is van de vogels

die zich nestelen in jouw bossen

 

of van de vissen in ijssel en berkel

wanneer ik mijn hand bloot stel

aan wat dit land mij zodanig aan-

reikt dat ik woorden te kort kom

 

3

 

zoveel dagen zijn er dat er zoveel

gebeurt en zoveel dagen dat er

niets gebeurt bovenop de heuvels

die wij groots bergen noemen

 

kale berg de belten lochemse berg

eertijds bescheiden opgestuwd als

reddingsboeien in een landschap

vol onland moerassen en dijkwegen

 

zij nemen ons mee naar heimelijke

verhalen over de zin van het leven

de mist hangend tussen de bomen

verwordend tot oude wijze geest

 

afdalend is het land dichterbij dan

ik vermoedde in mijn begoocheling

want aan de deuren van de huizen

wordt gefluisterd over wat er niet is

 

4

 

als de berkel haar monding bereikt

keer ik terug tot voorbij haar oevers

naar het gebied waar de hartstocht

van de seizoenen gedempt wordt

 

waar ik in coulissen wel verdwalen

kan anders dan in de dorre doolhof

van een stad waar alles wat goed is

vaker voortkomt uit onvermogen

 

mijn zicht is bepaald door dromen

wanneer ik luister naar dit land

mijn ogen lichten op als een echo

wanneer ik taal naar de woorden

 

om jou elke dag zo recht te doen

dat de bladeren gaan glinsteren

die achterbleven op een grasveld

getroost door de voorafgaande val

 

5

 

dunne draden van stilte hangen in

de verhalen waarvan de schaduwen

hier werkelijkheid worden onder de

zwijgende lucht het onverwachte

 

gerucht van guurte en witte wieven

dat de woorden en beelden oproept

van wat hier eertijds elkaar verteld

werd in karige landelijke bewoning

 

soms wordt daarin het onvermoede

zichtbaar en krijgen we een glimp

te zien van wat morgen ons wel eens

zou kunnen opwachten en verrassen

 

in onze andere huizen andere tijden

blijven wij immers toch wie we zijn:

dezelfde mens als toen en ook nu

alsof alles hier rond is aan het leven

 

______________________

 

nummer 044

 

Wandeling over Het Groote Veld

 

De wandeling voert ons door het hoge gras.
Hun staarten zwiepend tegen de dazen
staan links loom de runderen te grazen.
De lucht voelt zwaar en wij vertragen onze pas.  

Aan de zomen van de wei steken broos
de berkenbenen af tegen donker beukenloof
en sparrenstam. Duizelingwekkend hoog
aan de hemel hangt een buizerd, roerloos.

Verschrikt door 't klappen van het hek
stuift luidruchtig een koppel duiven op
en verdwijnt tussen vlier en vogelkers
als één grijze vliegende vlek.

Het pad versmalt en onder onze zolen
knisperen de dennenappels droog en luid.
Verticaal verrijst het paarse vingerhoedskruid;
de helmbloem houdt haar trosjes wit verholen.

Vrolijk dartelen vlinders voor ons uit 
langs ranken kamperfoelie naar een bank
op het open veld, Achterhoekse savanne,
met knoestige takken en ruig begroeide huid.

De wind verhult zich in geheime fluistering.
Terwijl het licht verstilt en tijd zich spreidt
over het weidse veld verglijden
al onze gedachten in zwijgende verwondering.

 

______________________

 

nummer 045

 

Kamsalamander                        

 

Het kanten lint
slingert  zich een weg
om neer te wolken
rondom het  kwakend  water.

Een reiger rekt zijn nek
net boven het witte scherm
en vreet onverschrokken 
 een gat in de zomer.

Een kraai krast in zijn spiegelbeeld
donkerblauwe rimpelingen.
De buizerd opgejaagd opent
van schrik zijn klauw
waaruit muis geruisloos valt
in dichte witte sluier.

Maar waar in drassig nat
van modderpoel bij Het Waliën
schuilt de aanstaande bruid,
die moest gedijen in deze biotoop
voor de oranjekoning
 van het rijk van amfibieën?

 

______________________

 

nummer 046

 

Onweer

 

Boven Het Groote Veld golft een lichte trilling,        
fluisterend over broeierig geheim van het veen.
De hitte dicht zich om ons heen
en ademt dreigende beklemming.
Gerommel verwaait tussen vlier en jonge berk.
De valk valt kort en onderbreekt zijn  duik.
Terwijl zijn schaduw vlucht tussen stobbe en struik
verdwijnt de Vlaamse gaai met brede vlerk,
rauw krijsend tegen de hemel die van grauw
zich razendsnel verdiept in Pruisisch blauw.

Onheilspellend stil verstommen de geluiden
van lijsters, mezen, merels en mussen.
Verlamd ligt 't veld, een donker roerloos gat
tussen hoog opgeschoten grove den.
Plots voert een rimpeling langs sparrentakken
en over onze rug. Verblind door het flitsend licht
dat zich gelijk met oorverdovende knal op d' aarde richt,
horen wij hoe vliegensvlug de bomen knakken.
Bij de eerste spatten verstuift het zand;
geultjes vormen gauw een plas.
Mieren versnellen hun militaire pas
voor 't veilig bergen van hun proviand.

Wij rennen als opgejaagd wild...
weg, weg van hier, van het gevaar.
Slippend over mossige paden met onbedaar-
lijk kloppend hart en steken in de milt
bereiken we angstig en doorweekt de schaapskooi
om te schuilen tussen de vochtige vachten in het hooi.

 

______________________

 

nummer 047

 

Beekdal  Onderlaatse Laak

 

Denkend aan Warken

zie ik de Onderlaatse Laak
kabbelen door moerassig gras,
verdwijnen in roodbruine oases
van zuring met toefjes
geel van boterbloem,

in de late middagzon rode daken
half verscholen achter eiken
even opglinsteren,

groepen zwaluwen op draden
en zwevend door de lucht.

Hoor ik verborgen in de coulissen
van de meidoorn de geelgors
zijn vijfde van Beethoven oefenen,

nerveus kievie, kievie over de wei
vlieden en in de verte
de ijzers over de Gazoorweg
in vierkwarts maat richting
stal stappen.

Ruik ik wintertarwe
in de warme zomer ,
een weeë lammetjeslucht
in de frisse lente,
rottend blad
in regenachtige herfst.

Voel ik de hoe wind
de seizoenen door
de bomen loodst
in een eeuwig durend
 ritme tussen land en lucht,

hoe de menselijke
vergankelijkheid
over de velden verwaait.

 

______________________

 

nummer 048